CVA – Twintig seconden en alles staat op zijn kop ! / M.-P. Fayt Davin – Deel 11

Hoofdstuk 11

Ik ben niet meer in staat om echt te wenen. Mijn tranen zijn opgedroogd, verlamd. Ik voel me een beetje als Calimero en ik herhaal zonder ophouden : « het is niet eerlijk ».

Ik heb geleerd om de mensen te begroeten door « goededag » te zeggen… Waarom ? Ik herinner me dat ik een zoen kreeg op de wang, maar tegelijktijd in mijn linkeroog een punt van een kraag van een lederen vest kreeg. Dit oog, zelfs al is het verlamd, is permanent geopend en heeft zijn volledige gevoeligheid behouden. Tijdens het voornoemde contact, heb ik heel veel pijn gehad, zo veel pijn dat ik zelfs niet meer kon spreken.

Als gevolg hiervan zijn al mijn zintuigen permantent op hun hoede. In geval van een plotse pijn, knip ik op een bewuste manier de koord door die me vastmaakt aan de wereld en probeer ik me te herpakken. Ik keer terug naar mijn ‘geheime basis ‘ naar het centrum van wat ik ben, naar daar waar mijn buik en mijn hoofd één zijn. Op die manier ben ik beter in staat om de onhandigheden van mijn vrienden te incasseren. En als de pijn stilletjes aan verdwijnt, is er terug plaats voor de lach… die reddende lach die me ontspant en die alle pijn verzacht. Ik heb het geluk omringd te zijn door vrienden en vriendinnen die me echt doen lachen.

Als de kalmte is teruggekeerd, het intermezzo van de pijn voorbij is en als de begroetingen zijn uitgewisseld, zal de nieuwkomer eigenlijk niets gemerkt hebben. Hij discussieerde met anderen op drie meter van mij vandaan en niemand heeft iets in de gaten.

De uiterlijke tekenen van pijn zijn in niets te vergelijken met de uwe. Mijn gelaatsspieren zijn verlamd. Mijn gezicht heeft dus niet meer dezelfde uitdrukkingskracht als vroeger. De helft van mijn gezicht is verstijfd of verlamd. De andere helft lijkt op een grimas, al zegt men mij dat dit minder en minder het geval is nu. Maar de gevoeligheid blijft aanwezig over gans mijn gezicht.

De gezichtsverlamming verhindert me echter om pijn te uiten – ik blijf stoïcijns – het verdriet, ik kerm, de vreugde : ik lach hard – een schreeuw – ik brul. Wat woorden betreft, ik mompel, ik spreek een koeterwaals dat niemand goed verstaat. Mijn stem die vroeger zo zuiver was, is ook erg veranderd. Ik kan de intensiteit van mijn stem nog nauwelijks controleren

 

Dromadaire

Als ik thuis ben met de persoon die me gewoonlijk verzorgt, dan voel ik me veilig. Ik kan niet alleen thuis blijven, zelfs niet in mijn eigen huis, en ook niet alleen met mijn kinderen. Ik ben niet in staat me te verdedigen. Ik kan met bepaalde situaties, ook al zijn ze onschuldig, niet omgaan. Bij voorbeeld : bij koude kan ik noch een raam, noch een deur sluiten. Ik voel me heel kwetsbaar.

Na mijn CVA, hou ik zeer veel van bloemen, ik ken hun cyclus, ik zie ze groeien, ik observeer de knoppen. Ik verbaas me over kleinigheden.

Als een voetbal in onze tuin rolde en hij een iris beschadigde, dan kon ik me niet inhouden. Ik gromde, ik schreeuwde, ik raasde en tierde en ik kreeg een vreselijke woedeaanval. Ik was meelijwekkend in de ogen van mijn man, van mijn kinderen en van de buren. Ze uitten allemaal hun ongeloof. Vermits ik constant leef in een slome wereld, een wereld van planten, van geuren, van bloemen, van de ontwikkeling van de natuur, verdraag ik niet dat deze wereld vernietigd wordt. Ik was niet fier op mezelf. Ik ben er niet fier op, dat is zeker. En het is niet door zo te keer te gaan dat ik meer respect zal krijgen. Om de familiale vrede te vrijwaren, moet ik dus de aanwezigheid van de voetbal accepteren. Ik mag de goede sfeer die hij met zich meebrengt niet verpesten en daarvoor moet ik bereid zijn om af en toe enkele bloemen te verliezen

Einde van episode 11